KANSENONGELIJKHEID
Een diploma is niet meer dan een concurrentiebeding –
onderwijs als middel voor opwaartse mobiliteit: ieder kind evenveel kans op
basis van talent en inzet. Niet je afkomst, maar je talent en inzet zouden
bepalend zijn voor je schoolniveau en toekomstperspectief in de samenleving.
Dit ideaal lijkt niet te slagen. De woorden van een directrice in het primair
onderwijs, zijn blijven hangen:
Ieder jaar schrijft de onderwijsinspectie dat de kansen voor
leerlingen niet gelijk zijn. Je achtergrond en het opleidingsniveau van je
ouders, blijken o.a. van invloed. Hoe komt dit? En wat is gelijkheid?
De startposities van onze kinderen zijn bij aanvang van hun (voor)schoolse
leren al niet gelijk. Zo hebben kinderen die thuis worden voorgelezen, met hun
ouders naar musea gaan, op vakantie naar het buitenland, veelal een grotere
woordenschat en wereldkennis. Een kind uit een taalarme(re) omgeving of NT2,
zal zijn schoolcarrière starten met een ‘achterstand’. Is het dan de taak van de
school deze gelijk te trekken? Betekent dit dat de school hoort in te zetten op
de ‘onderlaag die minder meekomt’, eventueel ten koste van de aandacht voor de bovenlaag
‘goed meekomende leerlingen’? Een moeilijk dilemma, deze differentiatie en
tevens één waar weinig over gepraat wordt. Een andere buitenschoolse factor
zijn de bijlessen. Het is niet te voorkomen dat er ouders zijn die met hun kind
verwikkeld raken in een race naar de onderwijstop. Ouders met de financiële mogelijkheden.
Ouders ‘kopen een stukje zekerheid’, omdat opleidingsniveau steeds belangrijker
wordt.
In het onderwijs valt naar mijn idee nog veel winst te behalen. Wees je in de
eerste plaats bewust van je vooroordelen, zoals in het voorbeeld van de
directeur. Hoge verwachtingen van onze kinderen zijn belangrijk! Een voorbeeld
daarvan is het schooladvies. Allereerst wordt het hoog tijd dat we stoppen om
al in groep 6 voorlopige schooladviezen te geven. Kinderen ontwikkelen hun
executieve functies (EF) tot hun 20e jaar. Als je 11/12 jaar bent
staat er nog een hele hoop te gebeuren in de ontwikkeling van hun
hersencapaciteit! Door een later schooladvies (na 2 – bij voorkeur 3 – jaren brugklas),
hebben kinderen langer de tijd zich te ontwikkelen. Heel bewust hebben wij dit
jaar VO scholen bezocht met een verlengde (heterogene) brugklas. Ook hier is
het van belang dat leerkrachten zich realiseren wat aannames en vooroordelen
doen met kinderen in de (voorlopige) schooladviezen (groep 6, 7 en 8). Te vaak
krijgen kinderen een schooladvies gebaseerd op een label (dyslexie,
autisme-spectrum e.a.), afkomst of achtergrond. De leerkracht die de leerling
met een ‘dyslexie-verklaring’ een KB/TTL advies geeft, zegt: ‘Dan hoef je
niet zoveel te lezen, kun je met je handen werken’. Het wordt tijd dat we
een hoger advies als een uitdaging zien en leerkrachten: stop met leerlingen
beperken uit angst voor falen!
Momenteel is de overweging van Minister Wiersma om ‘bijles aan banden te leggen’
een belangrijk gespreksonderwerp. De vraag is: ‘wat is noodzakelijk en wat is
leuk erbij’? Mijn werk als taalcoach en kenvisiecoach is niet voor de leuk, het
is broodnodig, omdat deze kinderen in het reguliere onderwijssysteem buiten de
boot vallen. Zo vind ik dat ‘alles wat noodzakelijk is’ voor iedereen toegankelijk
hoort te zijn.
Huiswerkbegeleiding via het VO, kost ouders forse bedragen.
Private begeleiding voor kinderen die niet meekomen en ondersteuning nodig
hebben, kost ouders geld en het meeste wordt niet vergoed. Huiswerkbegeleiding
zou op het VO toegankelijk zijn als er onderwijsassistenten en studenten worden
aangesteld en betaald voor hun uren. De overheid heeft hierin een belangrijke
taak, deze schittert echter in afwezigheid. Door de corona-achterstand zijn er
NPO gelden beschikbaar gesteld voor scholen in het primair en voortgezet
onderwijs. Wat als deze subsidies straks wegvallen, opgebruikt zijn? Ouders
zijn dan opnieuw aangewezen op hun eigen portemonnee of kinderen vallen weer
buiten de boot.
Het ‘schaduwonderwijs’- het kopen van een stukje zekerheid in het
opleidingsniveau’- wil Minister Wiersma aan banden leggen. Hij stelt: ‘Betaald
aanvullend onderwijs vergroot de kansenongelijkheid en zou niet nodig moeten
zijn’. Het idee dat huiswerkbegeleiding en/of bijles ‘noodzakelijk’ zijn,
wil hij hiermee ontkrachten. Wat noodzakelijk is horen scholen gratis te bieden,
omdat hiervoor onderwijsassistenten e.a. pedagogische en didactische
medewerkers voor zijn aangesteld binnen de school! Wiersma wil een keurmerk
voor ‘privaat aanvullend onderwijs’ en wil de Verklaring omtrent Gedrag (VOG),
verplicht stellen voor private onderwijsaanbieders.
Ervaring leert dat veel scholen de expertise niet (meer) in huis hebben om
kinderen voldoende te begeleiden. Bijles en RT werden wegbezuinigd door hetzelfde
ministerie. Daarnaast is er zoveel ander bureaucratisch geneuzel, dat de
tijd een grote schaarste is. Veel goede en ervaren leerkrachten stappen uit
het onderwijs om in een eigen praktijk te doen waar een steeds groter wordende
groep kinderen behoefte aan heeft: goed onderwijs! Breng deze vakleerkrachten
terug binnen de scholen. Daarnaast verdienen de PABO’s een upgrade! Beter taal-
en rekenonderwijs en kleuteronderwijs! Op de PABO wordt nog weinig geleerd over
de ontwikkeling van het Jonge Kind en het beweegonderwijs aan deze groep. Geeft
meteen een beter inzicht is de lees- en schrijfrijpheid van kinderen in groep 2.
Dus, Minister Wiersma, alvorens u besluit al het ‘schaduwonderwijs’ aan banden
te leggen, is het goed eerst de andere hiaten aan te pakken en te versterken.
Gelijkheid kan niet ‘boven goed onderwijs’ gaan. Ik ben zo’n coach die kinderen
ondersteuning geeft, waar ze achterlopen en het in het onderwijs niet kunnen
krijgen. Dat is in mijn ogen geen ‘kansenongelijkheid’.
Het is broodnodig deze
kinderen met een hulpvraag weer kansen te geven!


Reacties
Een reactie posten